Pluk de dag, koop een youngtimer!

Voor de prijs van een oersaaie, zes jaar oude Opel Vectra kun je ook een youngtimer kopen waar de charme en het karakter vanaf druipen. Wie het een beetje uitzoekt, vindt een aparte auto die nog waardevast is ook. Autotaxateur André Pisa geeft aankooptips.

Tekst: Philip Hofman Foto’s: Peter van Egmond. Met dank aan Ataxaties te Utrecht.

Steeds meer automobilisten rijden in een youngtimer. Ruim tien procent van de auto’s op de Nederlandse wegen, bijna 790.000 stuks, zijn tussen de vijftien en vijfentwintig jaar oud. In 2010 kwamen er maar liefst 44.000 youngtimers bij. Er rijden ook nog ruim 270.000 oldtimers rond - auto’s die de wegenbelastingvrije leeftijd van vijfentwintig jaar gepasseerd zijn. “Nostalgie speelt daarbij zeker een rol,” zegt autotaxateur André Pisa van Ataxaties uit Utrecht. “Het is natuurlijk leuk om een onbereikbare of geliefde auto uit je jeugd nu eindelijk zelf te bezitten.” Maar het is meer dan weemoed, vertelt Pisa. “Veel mensen die een youngtimer kopen willen het genot van echt autorijden weer beleven.” Auto’s van rond de twintig jaar oud bieden in de ogen van youngtimerrijders het rijplezier, dat ze niet vinden in de auto’s van vandaag. Die zijn te klinisch, te perfect.

Kwestie van plezier
Qua leeftijd zitten youngtimers tussen de gerijpte occasion en de echte oldtimer in. Niet zo jong meer, maar nog lang niet bejaard. Dat heeft zijn voordelen. “Ze zijn snel genoeg om prima mee te komen in het verkeer,” zegt Pisa. “En hoewel de veiligheid en het comfort van moderne auto’s over de gehele linie natuurlijk omhoog zijn gegaan, zijn er genoeg youngtimers met ABS, airconditioning en goede rijeigenschappen.” Een youngtimer rijden is volgens hem in de eerste plaats een kwestie van plezier, maar dat kan hand in hand gaan met betaalbaar autorijden. Ga maar na: wie vandaag rond de 6.000 euro uitgeeft aan een doorsnee middenklasser van zes jaar oud, moet erop rekenen dat het leeuwendeel van dat bedrag over vijf jaar is weggesmolten door de afschrijving. Maar voor circa 6.000 euro kan je ook een mooie Volvo 240, Mercedes 190 of Audi 100 uit de jaren tachtig kopen. Markante auto’s, die behoorlijk waardevast zijn. Rij er een paar jaar in, en de kans is groot dat je je aankoopbedrag weer terugkrijgt bij verkoop. Onderhoud je de auto goed, en is het model in trek, dan ligt zelfs een kleine boekwinst in het verschiet. Dat auto’s van voor 1987 wegenbelastingvrij zijn is een bijkomende meevaller. Op bijvoorbeeld een Mercedes 200-serie Combi van 1986 scheelt dat toch tussen de 700 en 800 euro per jaar ten opzichte van een vergelijkbare, jongere auto.

In vervoering
Kan er dan helemaal niets misgaan als we besluiten ons spaargeld in een karaktervolle youngtimer te steken? Jazeker. Impulsiviteit is funest bij de aankoop van een youngtimer, waarschuwt Pisa. Vooral bij auto’s die het hart sowieso een paar slagen sneller doen kloppen. “Denk erom dat zelfs een afgeleefde Porsche 911 je in vervoering kan brengen tijdens een proefrit. Als je pas na de koop ontdekt wat er aan schort, dan kom je natuurlijk van een koude kermis thuis.” Zijn devies is vooraf grondig je huiswerk te doen. “Oriënteer je uitgebreid. Lees niet alleen over de auto, maar praat ook eens met leden van een merkenclub. Zij weten hoe het is om zo’n auto te bezitten en wat dat echt kost.” Nog beter is het om jezelf enkele praktische vragen te stellen voordat de verliefdheid op een bepaald model de overhand neemt. Pisa doceert: “Wil je de auto dagelijks gebruiken of is hij alleen voor plezierritjes op zondag? Heb je een overdekte garage of parkeer je de auto op de openbare weg? Hoe handig ben je? Hoeveel tijd en geld heb je voor opknap- en sleutelwerkzaamheden? Veel opknappers en restauratieprojecten blijven jaren in de garage staan!” De taxateur wijst erop dat aspirant youngtimerbezitters zichzelf niet bij voorbaat rijk moeten rekenen. “Onderschat vooral het onderhoud niet. Oudere auto’s hebben kortere onderhoudsintervallen dan auto’s van tegenwoordig. Veel youngtimerspecialisten hebben vriendelijke uurtarieven, maar sleutelen aan oudere auto’s kan tijdrovender zijn. Er moet bijvoorbeeld meer gedemonteerd worden voordat een klus geklaard kan worden. Werkplaatsfacturen kunnen dus hoger uitvallen dan je denkt. Reserveer daar dus voldoende geld voor.” Wijze woorden, die ongetwijfeld teleurstellingen kunnen voorkomen. Dan kan de youngtimerpret nu beginnen met drie aankooptips uit de koker van Pisa.

De dagelijkse youngtimer: Volvo 240 (1985-1992)
Pisa zegt: “De Volvo 240 is in meerdere opzichten een zeer toegankelijke youngtimer. Je voelt je snel thuis achter het stuur door de logische plaatsing van de bedieningselementen. De hoge zit geeft een goed overzicht op de weg, en maakt inparkeren makkelijker dan je op basis van zijn grootte zou verwachten. Het uitzicht over de lange motorkap geeft een veilig en triomfantelijk gevoel. Ondanks zijn forse voorkomen heeft deze Volvo een verrassend korte draaicirkel van 9,80 meter. Dat maakt hem ook in een drukke stad zeer wendbaar. Het is wel aan te raden om te zoeken naar een exemplaar met stuurbekrachtiging. De 240 ademt degelijkheid. Hij heeft niet voor niets als bijnaam ‘de tank’. De motoren zijn ijzersterk. 500.000 kilometer is haalbaar bij tijdig olie verversen. Verder is de 240 wat men noemt sleutelvriendelijk, makkelijk om aan te werken. Onderdelen zijn ruim voorhanden. Voor onderhoud kan je dus vrijwel overal terecht. Het is wel een cultauto aan het worden, waardoor de prijzen stijgen.”

Pluspunten: onderhoudsvriendelijk, duurzaam, behoorlijk veilig voor een oudere auto, geschikt voor LPG inbouw.

Minpunten: windgevoelig door hoekige vormgeving, vrij pittig benzineverbruik ondanks matige prestaties.

Letten op: olielekkage bij de ontsteking, speling op de aandrijfassen en het differentieel. Kachelradiatoren zijn vaak defect. Roest: dorpels, wielkasten achter en de hoeken van de deuren.

Deze moet je hebben: de 2.3 versie van de tweede generatie.

Onderdelenverkrijgbaarheid: zeer goed.

Benzineverbruik: Circa 1:10.

Prijzen: € 3.000 tot € 9.000.

Waardeontwikkeling: Constant tot licht stijgend.

Alternatieven: Saab 900, Peugeot 505, BMW 5-serie (E28)

De comfortabele youngtimer: Citroën CX (1985-1989)
Pisa zegt: “De CX is een supercomfortabele voiture met voor zijn tijd zeer vooruitstrevende techniek. Het comfort is hoog door het hydraulische veersysteem en de heerlijke stoelen - zeg maar gerust fauteuils. Daarbij is hij bijzonder koersvast en ongevoelig voor zijwind, wat veel vermoeiende stuurcorrecties scheelt. Dat is te danken aan de aerodynamische vormgeving en de spoorbreedte, die voor groter is dan achter. Iedere CX heeft ruim bemeten schijfremmen rondom, die gretig hun werk doen. Voor dagelijks gebruik is hij zonder meer geschikt, maar echt tot zijn recht komt hij buiten de stad. Rij op een druilerige dag eens naar Noord Frankrijk. Op slechte wegen waar tractoren modderige sporen achterlaten geeft de CX geen krimp. Een vorstelijk gevoel!”

Pluspunten: het comfort, zijn koersvaste rijgedrag en het futuristische uiterlijk.

Minpunten: roestgevoelig als ze niet goed getectyleerd zijn. Door de grote, vlakke achterruit verschiet het interieur.

Letten op: zwetende retourleidingen van het hydraulieksysteem, roestvorming aan het subframe achter en de lasnaden ter hoogte van de voorstoelen. Controleer ook de koppeling en versnellingsbak, want als daar iets mee is, moet het motorblok wijken.

Deze moet je hebben: de CX 20 vanaf 1985 voor dagelijks gebruik, vanwege de betrouwbare 2-liter carburatiemotor, die in talloze Franse auto’s is gebruikt.

Onderdelenverkrijgbaarheid: goed, behalve verchroomde bumpers, -sierelementen en interieurdelen.

Benzineverbruik: Circa 1:12.

Prijzen: € 5.000 voor een goede, maar niet smetteloze CX 20. € 10.000 voor een smetteloze 25 GTI Turbo 2.

Waardeontwikkeling: licht stijgend.

Alternatieven: Jaguar XJ, Mercedes SEC, BMW 7-serie

De sportieve youngtimer: Porsche 911 Carrera Coupé (1984-1989)
Pisa zegt: “De Porsche 911 is misschien wel de beroemdste sportauto ter wereld. Het ontwerp is sinds 1963 niet wezenlijk veranderd. Een ware designklassieker dus. De geestelijk vader van de 911, Ferdinand Alexander Porsche, had als bijnaam ‘de functionalist’. Er zit vrijwel niets op of aan een 911 dat overbodig is. Stap in een exemplaar van voor 1990 en je gaat écht autorijden. Voor 1987 was er nog geen hydraulische koppeling en (standaard) geen stuurbekrachtiging. Je moet dus flink werken achter het stuur. Dat wordt echter beloond met een super directe stuur- en gasrespons. En natuurlijk met het prachtige geluid van de luchtgekoelde boxermotor. In een 911 ga je helemaal op in het rijden - een fantastische ervaring.”

Pluspunten: Duurzame techniek, het weggedrag en het iconische silhouet van de 911.

Minpunten: Voor onderhoud ben je op specialisten aangewezen, dat kan prijzig zijn.

Letten op: Olielekkages bij de bougies en de pakking van het onderblok. De motoren zijn sterk, maar inhouden tussen de 2.000 en 3.000 tpm kan een symptoon zijn van dure gebreken aan het injectiesysteem. De warmtewisselaars van het uitlaatsysteem lekken nog wel eens.

Deze moet je hebben: De 3.2 SC of Carrera: krachtig, en toch betaalbaar qua onderhoud.

Onderdelenverkrijgbaarheid: Alles is leverbaar, maar veel onderdelen, zoals die voor de motor, zijn behoorlijk prijzig.

Benzineverbruik: Valt mee; 1:9 is mogelijk.

Prijzen: 20.000 á 25.000 euro voor een nette. Daaronder moet je het geluk hebben dat iemand er toevallig snel vanaf moet.

Waardeontwikkeling: Sterk stijgend. Plus 10% per jaar voor een goed verzorgde 911.

Alternatieven: Renault Alpine, Alfa GTV6, Ferrari 308 GT4